Videofilmen

 

VERBINDING MAKEN

Via Firewire en USB kun je films snel en zonder kwali­teitsverlies van de camera naar de pc overzetten. Zo doe je dat op de makkelijk­ste manier.

Sinds de camcorder het videosignaal in di­gitale vorm opslaat, is het leven voor de videofilmer een stuk gemakkelijker ge­

worden. Oudere videocamera's werkten met analoge signalen. Voor de nabewerking moest de film eerst met zogenaamde capturekaarten worden gekopieerd en gedigitaliseerd. Moder­ne camcorders zetten de in digitaal formaat opgenomen films over via een Firewire- of USB-kabel. Maar er is nog meer: dezelfde ka­bel die de videosignalen transporteert, kan meteen gebruikt worden voor het aansturen van de videofuncties.

Twee interfaces

'Firewire', 'i.Link' en 'IEEE 1394' zijn drie ver­schillende aanduidingen voor ��n en dezelfde interface. Deze seri�le interface is door Apple ontwikkeld en is de standaard geworden voor de overdracht van digitale videosignalen. Op de camcorder is de interface vierpolig, aan de kant van de pc zespolig. De overdrachtsnelhe­den liggen bij 400 megabit per seconde (Mbit/s). In 2003 introduceerde Apple Firewire 800, dat een datasnelheid van 800 Mbit/s kan behalen. Deze standaard wordt door Windows XP echter pas sinds Service Pack 2 volledig on­dersteund.

USB 2.0 heeft op papier met 480 Mbit/s wel een hogere datasnelheid dan Firewire 400, maar van deze waardes moet je nog het over­drachtprotocol aftrekken. En dat is bij USB uit­gebreider dan bij Firewire. In de praktijk kan USB 2.0 maximaal circa 25 Mbit/s halen, Fire­wire daarentegen circa 30 Mbit/s. Alle gebrui­kelijke montage programma's kunnen tegen­woordig overweg met de gegevensstromen van de verschillende interfaces van camcor­ders.

Voorbereiden van de overdracht

Bij het overzetten wordt het videosignaal zon­der compressie in de verhouding 1:1 van de camcorder naar de pc getransporteerd. Op de Windows-pc wordt de gegevensstroom in het standaardformaat als AVI-bestand opgeslagen. Per minuut film is ongeveer 220 MB aan op­slagruimte nodig. Bij een overdracht van 100 minuten film - zo veel onbewerkt filmmateriaal wordt vaak gebruikt voor de montage - heb je op je harde schijf dus ongeveer 25 gigabyte aan opslagruimte nodig.

De gegevens zet je op de volgende manier over: sluit de camcorder aan op het elektrici­teitsnet (met de accu werken kan ook, maar dit kan niet bij iedere camera). Sluit dan de cam­corder via de Firewire- of USB-kabel op de pc aan met de overeenkomstige interface. Zet de camcorder in de VCR-, VTR- of Playback­modus. Start het montageprogramma op de pc op. Kies de optie voor het capturen van de ge­gevens (bijvoorbeeld: �Video vastleggen �). Een wizard helpt je bij het overzetten van het onbewerkte filmmateriaal op de pc.

CLIPS CORRECT ORDENEN

Alle montageprogramma's bieden naast de tijdlijn een storyboardweergave. Daarin kun je de clips op de juiste manier ordenen, overgangen invoegen en monteren.

Wanneer je de films van de camcorder hebt overgezet en in de nieuwe pro­jectmap video-, beeld- en audiobe­

standen hebt opgeslagen, heb je een grote verzameling van onbewerkt materiaal op je pc staan. Dat is meestal meer dan je in de defini­tieve film gebruikt. In de volgende stap ga je het overbodige materiaal daarom uitzoeken, uitsnijden en verwijderen. Deze stappen vin­den plaats in het werkgebied van de software. Dit gebied bestaat uit de storyboard- en tijd­lijnweergave. Veel werkzaamheden kun je makkelijk in de storyboardweergave doen, voordat je in de tijdlijn gaat finetunen.

Sc�nes en clips

Daarbij zijn 'sc�nes' en 'clips' belangrijk - twee woorden die makkelijk door elkaar gehaald worden. Iedere keer dat van filmlocatie wordt gewisseld heet bij het filmen een 'sc�ne'. Pro­fessionals die volgens een precies vastgelegd draaiboek werken, hebben voor iedere sc�ne een sc�netitel en een omschrijving.

Als de sc�ne later op de pc wordt overge­zet, delen de montageprogramma's een sc�ne in meerdere 'clips' in aan de hand van het tijd­stempel van de DV-camera. Wanneer de tijd­stempels of andere markeringen ontbreken of wanneer het materiaal van een analoge bron komt, wordt iedere belangrijke framewissel door de software in clips opgedeeld.

Ook wanneer je een AVI-bestand met tijdstempels in een montageprogramma im­porteert, wordt het bestand aan de hand van de tijdstempels in clips opgedeeld. Ieder me­diatype dat in de tijdlijn- of storyboardweerga­ve wordt weergegeven, wordt als clip aange­duid. Clips kunnen dus uit videobeelden, foto's, audiobestanden en discmenu's bestaan. Alle clips kun je monteren, combineren, verwij­deren, delen, kopi�ren enzovoorts. Clips heb­ben bepaalde eigenschappen, zoals de lengte die je met behulp van het montageprogramma kunt defini�ren.

De storyboardweergave

Het storyboard toont in een verkleinde weer­gave een chronologische volgorde van de clips en hun overgangen. Dat is prettig om een film snel te kunnen overzien en te structureren. Het storyboard visualiseert het verloop en de in­houd van een videoclip. Afzonderlijke clips zet je op het storyboard door ze vanuit het biblio­theek- of verzamelinggedeelte te slepen.

Om de clips in het previewvenster te be­kijken, hoef je alleen maar op de weergave­knop te klikken. De weergavemogelijkheden en eigenschappen van het story board kun je bij alle montageprogramma's in het setupmenu individueel instellen.

Bovendien is het altijd mogelijk om via een muisklik tussen de storyboard- en tijdlijnweer­gave te wisselen.